Theosofie - Noordwest

 

Theosofie, de oude wijsheid-religie

                                                                                                                  

Mededogen is geen eigenschap, Het is de WET der WETTEN, eeuwige harmonie, ālaya’s ZELF,

 een oeverloze universele essentie. H.P.Blavatsky in Stem van de Stilte blz. 67

 

     

Evolutie en Involutie.

 

Evolutie.
Zoals het woord in de theosofie wordt gebruikt betekent het het ‘loswikkelen’, ‘ontvouwen’ of ‘zich
ontrollen’ van latente krachten en vermogens die de entiteit van nature bezit en die onlosmakelijk met haar zijn verbonden, haar eigen wezenskenmerken of, meer algemeen gesproken, de krachten en vermogens van haar eigen karakter: het Sanskrietwoord voor dit laatste begrip is svabhava (Noot)

 

Evolutie betekent dus niet alleen dat de ene steen op de andere wordt gelegd, dat de ene ervaring zich stapelt op de andere, of dat een variant wordt toegevoegd aan andere varianten — beslist niet; want dat zou de mens en andere entiteiten tot niets anders maken dan verzamelingen van onsamenhangende, losse delen, zonder essentiële eenheid of zonder enig samenbindend beginsel.

In de theosofie betekent evolutie dat de mens (evenals alle andere zich ontwikkelende entiteiten) alles in zich heeft wat de kosmos heeft, omdat hij een onafscheidelijk deel ervan is. Hij is het kind ervan; men kan de mens niet van het heelal scheiden. Alles wat in het heelal is, is in hem, latent of actief, en evolutie is het tevoorschijn brengen van wat innerlijk aanwezig is. Verder is dat wat we het omringende milieu noemen, de omstandigheden — de natuur, om het alledaagse woord te gebruiken — niets anders dan het werkterrein waarop en waarin deze inherente eigenschappen functioneren, waarop ze inwerken en waarvan ze de corresponderende reactie ontvangen; en deze acties en reacties vormen voor de evoluerende entiteit steeds weer een prikkel of aansporing tot verdere manifestaties van energie.

 

In geen enkele richting bestaan er grenzen waar men zou kunnen zeggen dat de evolutie begint of waar men zich het einde ervan kan voorstellen, want volgens de theosofische opvatting is evolutie niets anders dan het proces dat de bewustzijnscentra of monaden volgen wanneer ze van eeuwigheid tot eeuwigheid de weg van onophoudelijke groei gaan, die geen begin en geen einde kent.

 

Groei is de sleutel tot de werkelijke betekenis van de theosofische evolutieleer, want groei is niets anders dan het in detail tot uitdrukking brengen van het algemene ontvouwingsproces van vermogens en organen, dat in het gangbare woord evolutie besloten ligt. Het enige verschil tussen evolutie en groei is dat het eerste woord een algemene term is, terwijl met het laatste een specifiek stadium van dit natuurproces wordt aangeduid.

 

Evolutie is een van de oudste begrippen en leringen van de archaïsche wijsheid, hoewel het begrip in de oudheid gewoonlijk met het woord emanatie werd aangeduid. Er moet wel onderscheid worden gemaakt tussen deze twee woorden, een belangrijk onderscheid, maar dat is eerder het gevolg van de beschouwingswijze dan van een werkelijk essentieel verschil. De term emanatie is voor theosofen beslist nauwkeuriger en beter dan evolutie, maar helaas wordt emanatie in het Westen zo slecht begrepen dat men noodgedwongen de algemeen aanvaarde term gebruikt om het proces van innerlijke groei te beschrijven, dat zich uitstrekt over en manifesteert in de verschillende stadia van de zich ontwikkelende entiteit.

 

Daarom zijn theosofen, strikt genomen, eerder emanationisten dan evolutionisten; en uit deze opmerking wordt meteen duidelijk dat een theosoof geen darwinist is, al erkent hij dat er in bepaalde secundaire en tertiaire opzichten en details enige waarheid schuilt in de theorie die Charles Darwin van de Fransman Lamarck overnam en aanpaste. In de theosofie is de sleutel tot de betekenis van het begrip evolutie dan ook de volgende: de kern van iedere organische entiteit is een goddelijke monade of geest, die zijn vermogens en krachten door de eeuwen heen tot uitdrukking brengt door middel van verschillende voertuigen die veranderen doordat ze steeds verbetering ondergaan. Deze voertuigen zijn niet alleen fysieke lichamen, maar ook innerlijke omhulsels van bewustzijn die samen het hele gestel van de mens vormen, dat zich uitstrekt van de goddelijke monade via de tussenliggende bewustzijnsgebieden tot het fysieke lichaam. De evoluerende entiteit kan alleen datgene worden of tot uitdrukking brengen wat ze in diepste wezen al is — daarom is evolutie het naar buiten brengen of ontvouwen van wat innerlijk, actief of latent, al bestaat. (Zie ook involutie.)

 

Occulte woordentolk, blz. 58-60.

Tekstvak: © 2011 Theosophical University Press Agency. Den Haag

 

Involutie
Involutie is als proces het tegenovergestelde van evolutie. Zoals evolutie het ontvouwen, ontwikkelen of ontrollen betekent van wat al bestaat en latent aanwezig is, zo betekent involutie het invouwen, inwikkelen of naar binnen gaan van wat eerder al bestond of zich had ontvouwd, enz. Men kan zich van involutie en evolutie geen goed beeld vormen als men denkt dat de één los van de andere werkt: elk evolutiegebeuren is een involutiegebeuren, en omgekeerd. Zoals geest en stof in essentie één zijn en toch eeuwig samenwerken en op elkaar inwerken, zo zijn involutie en evolutie twee namen voor twee fasen van hetzelfde groeiproces, die eeuwig samenwerken en op elkaar inwerken.

 

De zogenaamde afdaling van de monaden in de stof, bijvoorbeeld, betekent een involutie of inwikkeling van spirituele krachten in stoffelijke voertuigen die gelijktijdig, door de onweerstaanbare drang van de involverende energieën, hun eigen latente vermogens ontvouwen, ontwikkelen en ontrollen; en dat is de evolutie van de stof. De involutie van de geest verloopt tegelijk met evolutie van de stof en houdt daarmee gelijke tred. Wanneer daarentegen op de opgaande of lichtende boog de geïnvolveerde monadische essenties zich weer beginnen te verheffen naar hun oorspronkelijke spirituele bron, beginnen ze zich te ontvouwen of te ontrollen, zoals ze

zich tevoren op de neergaande boog hadden ingevouwen of ingewikkeld. Maar dit proces van ontvouwing of evolutie van de monadische essenties verloopt tegelijk met de inwikkeling, het invouwen, de involutie van de stoffelijke energieën en vermogens.

 

De geboorte en de dood van de mens zijn voortreffelijke voorbeelden van hetzelfde proces. Een kind wordt geboren en terwijl het opgroeit en volwassen wordt, ontwikkelt of ontrolt het bepaalde inherente kenmerken of energieën of vermogens, die alle voortkomen uit de svabhāva of het ego van de mens. Wanneer daarentegen het verval in het menselijk leven begint, vindt er een langzame inwikkeling van deze zelfde vermogens plaats, die op die manier geleidelijk schijnen af te nemen. Deze vermogens en krachten die zich in het aardse leven hebben ontwikkeld, zijn het werk van de ingeboren spirituele, verstandelijke en psychische eigenschappen die de voertuiglijke of lichamelijke aspecten van de samengestelde mens aanzetten en dwingen zich tot uitdrukking te brengen als organen die steeds volmaakter worden naarmate het kind volwassen wordt.

 

Na de dood voltrekt zich precies het omgekeerde proces. Het stoffelijke of voertuiglijke aspect van het wezen wordt steeds minder krachtig, involueert steeds meer, en wordt meer latent naarmate het proces vordert. Maar tegelijk daarmee worden de werkelijk spirituele en verstandelijke krachten en vermogens bevrijd van de voertuigen

en beginnen zich steeds meer te ontplooien, om hun hoogtepunt te bereiken in devachan. Alleen door de gebruikelijke onzorgvuldige manier van denken ontstaat het denkbeeld dat evolutie een afzonderlijk opzichzelfstaand proces is, en dat involutie – waarover men weinig hoort – een ander opzichzelfstaand proces is. De twee zijn, zoals hierboven opgemerkt, de twee fasen van activiteit van evoluerende monaden, en deze fasen bestaan altijd tegelijkertijd, en tussen beide is een voortdurende samenwerking en wisselwerking aan de gang. Ze zijn niet van elkaar te scheiden.

 

Dat geldt ook voor geest en stof. Geest is niet iets wat wezenlijk verschilt van stof en volkomen ervan gescheiden is. De twee zijn in essentie één, en werken eeuwig samen en op elkaar in.

Er zijn in het Sanskriet verschillende termen die overeenkomen met wat theosofen onder evolutie verstaan, maar de beste algemene term is misschien pravritti, die een ‘omwentelen’ of ‘voortrollen’ betekent, een ontrollen of ontvouwen. Het omgekeerde proces of involutie kan op zijn beurt waarschijnlijk het best in het Sanskriet worden weergegeven door de term nivritti, die een ‘terugrollen’, ‘inwikkelen’ of een ‘naar binnen vouwen’ betekent. Een term die vaak in plaats van evolutie kan worden gebruikt is emanatie. (Zie ook evolutie.)

 

Occulte woordentolk, blz. 81-83. Tekstvak: © 2011 Theosophical University Press Agency. Den Haag

 

Noot.

 

Svabhava (Sanskriet)
Een samengesteld woord dat is afgeleid van de wortel 
bhu, die ‘worden’ betekent – niet zozeer ‘zijn’ in de passieve zin, maar veeleer iets ‘worden’, ‘uitgroeien tot’ iets. Het voornaamwoordelijke voorvoegsel sva betekent ‘zelf’; daarom heeft het zelfstandige naamwoord de betekenis van ‘zelf-wording’, ‘zelfvoortbrenging’, ‘zelf-groei’ tot iets. Toch kunnen we niet zeggen dat het essentiële of fundamentele of onverdeelde zelf, hoewel dit voortdurend zijn eigen verheven evolutiepad volgt, de veranderingen of fasen ondergaat die zijn voertuigen doormaken. Evenals de monaden, evenals het

 

Ene, zendt het essentiële zelf – dat tenslotte praktisch hetzelfde is als de ene monadische essentie – een straal van zichzelf omlaag naar iedere organische entiteit, ongeveer zoals de zon een straal van zichzelf in de omringende ‘duisternis’ van het zonnestelsel zendt.

Svabhava heeft twee algemene filosofische betekenissen: ten eerste, zelf-verwekking, zelf-voortbrenging, zelf-wording, waarbij de algemene gedachte is dat er in de natuur geen puur mechanische of zielloze activiteit bestaat die ons tot aanzijn brengt, want we brachten onszelf

 

 

Samengesteld door:

Marian de Keijzer en Jelle Bosma.

april 2018.

 

                         

                                   Terug menu.  

 

* * * * * * *

Universele broederschap is de kern van de Theosofische lering.  I  Dhanus 4243