Theosofie - Noordwest

 

Theosofie, de oude wijsheid-religie

                                                                                                                  

Mededogen is geen eigenschap, Het is de WET der WETTEN, eeuwige harmonie, ālaya’s ZELF,

 een oeverloze universele essentie. H.P.Blavatsky in Stem van de Stilte blz. 67

 

            De Zevenvoudige samenstelling van de Mens.

 

Monade
Een spirituele entiteit die voor ons mensen ondeelbaar is; ze is een goddelijk-spiritueel levensatoom, maar ondeelbaar omdat haar intrinsieke eigenschap, 
zoals wij mensen ons die voorstellen, homogeniteit is, terwijl die van het fysieke atoom, waarboven ons bewustzijn zich beweegt, deelbaarheid is – het is een samengesteld heterogeen deeltje.

 

Monaden zijn eeuwige, een eenheid vormende, individuele levenscentra, bewustzijnscentra, onsterfelijk gedurende een zonnemanvantara, daarom eeuwig, ongeboren, onvergankelijk. Daarom is ieder van die monaden – en hun aantal is oneindig – het middelpunt van het Al, want het goddelijke of het Al is dat waarvan het centrum overal is en de omtrek of grens nergens.

Monaden zijn spiritueel-substantiële entiteiten, door zichzelf gemotiveerd, door zichzelf aangespoord, zelfbewust, in een oneindig aantal verschillende graden, de uiteindelijke elementen van het heelal. Deze monaden brengen andere monaden voort, zoals één zaadje vele andere zaadjes zal voortbrengen; aan ieder van deze monaden ontspringt in de loop van de onbegrensde tijd een menigte levende entiteiten, en ieder van deze monaden is de bron of ouder, waarmee alle andere zijn vervlochten en waaraan ze ontspringen.

Iedere monade is een zaadje, waarin alle krachten die deel uitmaken van zijn goddelijke oorsprong latent aanwezig zijn, dat wil zeggen ongemanifesteerd; evolutie bestaat uit de groei en ontwikkeling van al deze zaadjes of kindmonaden, door middel waarvan het universele leven zichzelf in ontelbare wezens tot uitdrukking brengt.

 

Als de monade in de stof afdaalt, of beter gezegd als haar straal – een van de ontelbare stralen die uit haar voortkomen – de stof binnendringt, brengt ze uit zichzelf door afscheiding en daarna door afwerping op elk van de zeven gebieden waar ze doorheen gaat, haar verschillende voertuigen voort, die alle worden overschaduwd door het zelf, hetzelfde zelf in u en in mij, in planten en in dieren, in feite in al wat is en tot die hiërarchie behoort. Dit is het ene zelf, het hoogste zelf of de paramatman van de hiërarchie. Het verlicht en volgt iedere individuele monade en alle menigten van stralen – of kindmonaden – van die monade. Ieder van deze monaden is een spiritueel zaadje uit het vorige manvantara, dat zich in dit manvantara als een monade manifesteert; en deze monade straalt al haar voertuigen uit door ze af te scheiden en daarna af te werpen. Het eerste van deze voertuigen is het spirituele ego – de weerspiegeling of kopie in het klein van de monade zelf, maar geïndividualiseerd gedurende de manvantarische evolutie – en dat de monadische straal als een voertuig ‘meevoert’ of ‘draagt’. Deze straal kan niet rechtstreeks in contact komen met de lagere gebieden, omdat ze deel uitmaakt van de monadische essentie zelf, die een nog verhevener straal is van het oneindige grenzeloze, dat bestaat uit een oneindige veelheid in een eenheid. (Zie ook individualiteit.)

Tekstvak: Occulte Woordentolk blz. 131-132. © 2011. 
Theosophical University Press Agency. Den Haag.

 

Menselijke monade
In de theosofische terminologie is de menselijke monade dat deel van de samengestelde mens dat de wortel van het menselijke ego is. Na de dood verbindt ze zich met de hogere duade, atma-buddhi, en vormt door haar aanwezigheid in de schoot van de hogere duade de bron waaruit het reïncarnerende ego bij zijn volgende wederbelichaming voortkomt. De monade per se is alleen een hogere duade, maar omdat na de dood het reïncarnerende ego in haar is opgenomen, wordt het bijvoeglijk naamwoord ‘menselijk’ eraan toegekend. Het is een populaire en gemakkelijke gewoonte die niet helemaal nauwkeurig is.

Tekstvak: Occulte Woordentolk blz. 126. © 2011.                                                                  
Theosophical University Press Agency. Den Haag.

 

Hogere triade
De hogere triade is het onvergankelijke spirituele ego, opgevat als een eenheid. Ze is het reïncarnerende deel van de samengestelde mens die zich in ieder leven op aarde hult in een nieuwe persoonlijkheid of lager viertal. De hogere triade is, zo eenvoudig mogelijk uitgedrukt, de eenheid van atman, buddhi en het hogere manas; het lagere viertal bestaat uit het lagere manas of kama-manas, prana of levenskracht, het lingasarira of het astrale modellichaam, en het fysieke voertuig.

Men kan de spirituele aspecten van de samengestelde mens ook op een andere manier bekijken, en wel vanuit het standpunt van het bewustzijn; volgens deze zienswijze bestaat de hogere triade uit de goddelijke monade, de spirituele monade en de hogere menselijke monade. De hogere triade wordt vaak in collectieve zin, zonder aandacht te besteden aan de details van de onderverdeling, eenvoudig de reïncarnerende monade genoemd, of meer algemeen het reïncarnerende ego, omdat laatstgenoemde zijn oorsprong heeft in de hogere triade.

 

Veel theosofen ondervinden geheel onnodig moeilijkheden wanneer ze proberen te begrijpen waarom de samengestelde mens nu eens op de ene manier dan weer op een andere wordt ingedeeld. De moeilijkheid ontstaat doordat men deze indelingen als absoluut in plaats van relatief opvat, met andere woorden alsof ze waterdichte compartimenten voorstellen in plaats van nuttige maar niet definitieve indelingen. De eenvoudigste indeling is waarschijnlijk die welke de zevenvoudige samenstelling van de mens in drieën verdeelt: een hogere duade die onsterfelijk is, een tussenliggende duade die voorwaardelijk

 

http://www.theosofie.net/onlineliteratuur/begin/files/diagram195.gif

 

De Beginselen van de Esoterische Filosofie blz. 234126. © 1998.                                                                       Theosophical University Press Agency. Den Haag.

.)

 

.

 

De Hogere Triade.

1.Atman (Sanskriet)
De wortel van 
atman is nauwelijks bekend; de oorsprong ervan is onzeker, maar de algemene betekenis is die van ‘zelf’. Het hoogste deel van de mens — het zelf, zuiver bewustzijn per se. De essentiële en inherente kracht of het vermogen in de mens dat hem, en in feite ieder ander wezen of ding, het besef of bewustzijn geeft een zelf te zijn. Het is niet het ego.

Dit beginsel (atman) is universeel, maar tijdens de incarnatie nemen de lagere delen ervan eigenschappen aan, omdat het verbonden is met buddhi, zoals buddhi verbonden is met manas, zoals manas verbonden is met kama, en zo verder omlaag langs de schaal.

Atman wordt soms ook voor het universele zelf of de universele geest gebruikt, waaraan in Sanskrietgeschriften de naam brahman (onzijdig) wordt gegeven, en brahman of de universele geest wordt ook paramatman genoemd.

De mens is in de hem omringende kosmos geworteld door drie beginselen, waarvan moeilijk kan worden gezegd dat ze boven het eerste of atman staan, maar die eigenlijk de hoogste en meest verheven delen van diezelfde atman zijn.

 

De meest innerlijke schakel met het onuitsprekelijke werd in het oude India met de term ‘zelf’ aangeduid, die vaak verkeerd is vertaald met ‘ziel’. Het Sanskrietwoord is atman, en slaat in de psychologie op de menselijke entiteit. Het bovenste uiteinde van de schakel werd paramatman genoemd, of ‘hoogste zelf’, d.w.z. het permanente zelf — woorden die voor hen die deze prachtige filosofie hebben bestudeerd, duidelijk en kernachtig iets beschrijven van de aard en essentie van het wezen dat de mens is, en van de bron waaruit hij in de beginloze en eindeloze duur is voortgekomen. Als kind van hemel en aarde liggen beide in hem besloten.

We zeggen dat de atman universeel is en dat is ook zo. Hij is het universele zelf, dat gevoel of bewustzijn een zelf te zijn, dat in alle mensen en zelfs in alle lagere wezens van de hiërarchie, zelfs in die van het dierenrijk beneden ons, hetzelfde is, dat vaag waarneembaar is in de plantenwereld, en dat zelfs in de mineralen latent aanwezig is. Hij is het zuivere kennen, de abstracte idee van het zelf. Hij vertoont in de hele hiërarchie geen verschillen, behalve in graad van zelfbesef. Hoewel hij universeel is, behoort hij (voor zover het ons in ons huidige evolutiestadium betreft) tot het vierde kosmische gebied, al is hij ons zevende beginsel van onderaf geteld.

Tekstvak: Occulte Woordentolk blz. 14. © 2011.                                                             
Theosophical University Press Agency. Den Haag.

 

2.Buddhi (Sanskriet)
Buddhi komt van de wortel 
budh, gewoonlijk vertaald met ‘verlichten’, maar een betere vertaling is ‘beseffen’, ‘kennen’, ‘bewustzijn herwinnen’, vandaar ‘ontwaken’, en dus ‘begrijpen’. Van de zeven beginselen van de mens is het het tweede van bovenaf geteld, of van onderaf het zesde. Buddhi is het beginsel of orgaan in de mens dat hem spiritueel bewustzijn geeft, en is het voertuig van het hoogste deel van de mens — de atman — het vermogen dat zich manifesteert als begripsvermogen, inzicht, onderscheidingsvermogen, een sluier of gewaad van atman, en daarvan niet te scheiden.

Vanuit een ander gezichtspunt kan men buddhi opvatten als het zaad en ook de vrucht van manas.

Het alledaagse bewustzijn van de mens in zijn huidige evolutiestadium bevindt zich bijna geheel in de lagere of tussenliggende duade (manas-kama) van zijn gestel; als hij zijn bewustzijn door persoonlijke inspanning verheft om definitief één te worden met de hogere duade (atma-buddhi), wordt hij een mahatma, een meester. Als de mens sterft, neemt deze hogere duade alle spirituele essentie, al het spirituele en intellectuele aroma van de lagere of tussenliggende duade met zich mee. Mahabuddhi is een van de namen die aan het kosmische beginsel mahat worden gegeven. (Zie ook alaya.)

Tekstvak: Occulte Woordentolk blz. 34. © 2011.                                                              
Theosophical University Press Agency. Den Haag.

 

3.Manas (Sanskriet)
De wortel van dit woord betekent ‘denken’, ‘peinzen’, ‘overdenken’ – kortom mentale activiteit. Het is het centrum van het ego-bewustzijn in de mens en in iedere andere min of meer zelfbewuste entiteit. Het derde substantie-beginsel, van bovenaf geteld, in de samenstelling van de mens.

Manas ontspringt aan buddhi (het tweede beginsel) zoals de vrucht aan de bloem, maar manas zelf is sterfelijk, en valt bij de dood uiteen – voor zover het de lagere delen ervan betreft. Het enige wat van manas na de dood blijft bestaan is het spirituele erin, dat er, bij wijze van spreken, kan worden uitgeperst – het ‘aroma’ van manas; ongeveer zoals een scheikundige uit de roos de rozenolie of rozenessence haalt. Nadat de tweede dood heeft plaatsgevonden, neemt de monade of atma-buddhi dit aroma met zich mee naar devachan. Atman met buddhi en het hogere deel van manas worden daarna de spirituele monade van de mens. Strikt genomen is dit de goddelijke monade in haar voertuig – atman en buddhi – gecombineerd met het menselijke ego in zijn hogere manasische aspect, maar na de dood worden ze tot één verenigd en worden dan de spirituele monade genoemd.

De drie beginselen die de hogere triade vormen, bestaan elk op hun eigen gebied van bewustzijn en kracht; als mensen voelen we onophoudelijk hun invloed, ondanks de omhullende sluiers van psychische en astraal-fysieke aard. We kennen van elk beginsel slechts datgene wat we er tot dusver van hebben ontwikkeld. Alles wat we bijvoorbeeld van het derde beginsel (van bovenaf gerekend), manas, weten is dat wat we daarvan tot nu toe in deze vierde ronde in ons hebben opgenomen. Manas zal niet volledig in ons zijn ontwikkeld vóór het einde van de volgende ronde. Wat we nu ons manas noemen is een algemene term voor het reïncarnerende ego, het hogere manas.

Tekstvak: Occulte Woordentolk blz. 34. © 2011.                                                                       T
heosophical University Press Agency. Den Haag

 

Het Lagere Viertal.

4.Kama (Sanskriet)
Het woord kama betekent ‘verlangen’ of ‘begeerte’. Het is het vierde van de substantie-beginselen waaruit de mens is samengesteld. Kama is de stuwende of drijvende kracht in de menselijke samenstelling. Op zichzelf is het kleurloos, goed noch slecht; het wordt alleen goed of slecht door het gebruik dat het denken en de ziel ervan maken. Het is de zetel van de levende elektrische impulsen, verlangens en aspiraties, beschouwd vanuit hun energie-aspect. Hoewel er zowel een goddelijk als een duivels kama bestaat, wordt dit woord echter gewoonlijk en ten onrechte bijna uitsluitend beperkt tot slechte verlangens.

Occulte Woordentolk blz. 88. © 2011.                                                                                                      Theosophical University Press. Den Haag                                                                     

Tekstvak: Dit beginsel wordt ook veel aangeduid met “het lagere Manas”. Toevoeging samenstellers.

 

5. Prāna (Sanskriet)
Het woord is afgeleid van 
pra, een als voorvoegsel gebruikt voorzetsel dat ‘voor’ betekent; en an, een werkwoord dat ‘ademen’, ‘blazen’, ‘leven’ betekent. Gewoonlijk vertaald met ‘leven’, maar het is veeleer de psycho-elektrische sluier of het psycho-elektrische veld dat zich in het individu als levenskracht manifesteert. Gewoonlijk ‘levensbeginsel’ genoemd. Theosofen gebruiken dit Sanskrietwoord tegenwoordig in algemene zin, hoewel het in het Sanskriet een meer specifieke en beperkte betekenis heeft, omdat er in feite een aantal levensstromen, levensfluïden bestaan. Elk daarvan heeft zijn eigen naam. Eén stelsel noemt er drie, een ander vijf, dat het algemeen aanvaarde aantal is; een ander telt er zeven, weer een ander twaalf, zoals in sommige Upanishads; en één oude schrijver noemt er zelfs dertien.

Tekstvak: De levensatomen van Prāna, of het psycho-elektrische veld, gaan op het moment van de fysieke ontbinding onmiddellijk terug naar de natuurlijke pranische reservoirs van de planeet.

6.LińgaŚarīra (Sanskriet)
Lińga is een woord dat ‘karakteristiek kenmerk’ betekent, en dus ‘model’, ‘patroon’. Śarīra, ‘vorm’, van de wortel sri, betekent ‘vergaan’ of ‘wegteren’, en wijst daarom op ‘vergankelijkheid’.

Het zesde substantie-beginsel, van bovenaf geteld, van de samenstelling van de mens. Het modellichaam, gewoonlijk astraallichaam genoemd, omdat het maar weinig etherische is dan het fysieke lichaam en in feite het model of frame is waaromheen het fysieke lichaam wordt opgebouwd, en waaruit in zekere zin het fysieke lichaam voortkomt of zich ontwikkelt tijdens de groei.

 

Na de dood blijft het lińgaśarira, of modellichaam, bestaan in de astrale gebieden en verdwijnt ten slotte geleidelijk – door ontbinding stap voor stap, atoom voor atoom – met de atomen van het fysieke lijk. Deze astrale rijken vormen niet één enkel gebied, maar een reeks gebieden die steeds etherische en spiritueler worden naarmate ze zich dichter bij de innerlijke sferen van de samenstelling of structuur van de natuur bevinden. Het lingaśarira wordt gevormd vóór het lichaam, en doet dus dienst als model of patroon waarnaar het fysieke lichaam zich vormt en ontwikkelt; het is even sterfelijk als het fysieke lichaam, en verdwijnt met het fysieke lichaam.

Tekstvak: Occulte Woordentolk blz. 100. © 2011.                                                                          Theosophical University Press. Den Haag.

7.Sthūlaśarīra (Sanskriet)
Sthūla betekent ruw, grof, niet verfijnd, zwaar, omvangrijk, lijvig in de zin van groot, en dus gedifferentieerde stof; śarīra betekent in het algemeen ‘vorm’. Het laagste substantie-beginsel in de samenstelling van de mens, dat gewoonlijk als het zevende van de beginselen wordt gerangschikt – het fysieke lichaam.

Het sthûlaśarîra of de fysieke hiërarchie van het menselijk lichaam is opgebouwd uit kosmische elementen, die zelf zijn gevormd uit levende atomaire entiteiten die niettemin zelf, hoewel ze individueel aan verbijsterend snelle veranderingen en wederbelichamingen zijn onderworpen, als uitdrukkingsvormen van de monadische stralen onvergelijkelijk veel duurzamer zijn dan het vergankelijke fysieke lichaam dat ze tijdelijk samenstellen.

Het fysieke lichaam is grotendeels poreus, iets heel onwerkelijks, vol gaten, schuimachtig als het ware. Bij de dood volgt het stoffelijk lichaam de normale weg van ontbinding, en de verschillende menigten levensatomen ervan gaan individueel en collectief naar die plaats waartoe ze van nature worden aangetrokken.

Strikt genomen is het fysieke lichaam helemaal geen beginsel; het is niet meer dan een woning, en in een andere betekenis de drager van de mens, en vormt evenmin een essentieel deel van hem – behalve dan dat hij het heeft uitgescheiden, uit zichzelf tevoorschijn heeft gebracht – als de kleren waarin zijn lichaam is gehuld. De mens is in feite een compleet wezen zonder het sthûlaśarîra; toch moet deze uitspraak, hoewel ze juist is, niet te letterlijk worden genomen, want het fysieke lichaam is de uitdrukking van de samengestelde mens op het fysieke gebied. Het betekent dat de samengestelde mens een complete menselijke entiteit kan zijn zelfs wanneer het fysieke lichaam is afgelegd, maar het sthûlaśarîra is nodig voor de evolutie en het actieve werk op dit sub gebied van het zonnestelsel.

Tekstvak: Occulte Woordentolk blz. 190. © 2011.                                                                          Theosophical University Press. Den Haag.

 

 

Als we de zevenvoudige verdeling aannemen zoals die in het algemeen wordt gevolgd in theosofische geschriften, dan worden de beginselen (met hun Sanskrietnamen) als volgt opgesomd, te beginnen met het hoogste:

Goddelijkheid – ātman, ‘zelf’, onze onsterfelijke monade;

Geest – buddhi, ‘ontwaakte intelligentie’, de sluier van ātman: het vermogen van gewaarwording dat door een boeddha volledig is ontwikkeld;

Denkvermogen – manas, tweeledig wat betreft functie: het hogere manas verenigd met de hoogste twee beginselen vormt de geestelijke individualiteit (ātmabuddhi-manas); het lagere manas aangetrokken tot kāma, het ‘begeerte ’beginsel, manifesteert zich als de gewone persoonlijkheid (manas-kāma);

Begeerte – kāma, ‘liefde, verlangen’; wanneer ze wordt beïnvloed door het hogere denkvermogen (buddhi manas), manifesteert ze zich als aspiratie; wanneer ze wordt gebruikt door de persoonlijkheid (manas-kāma), zonder enige invloed vanuit het hogere element, kan ze zich manifesteren door agressieve zelfzucht of ongecontroleerde verlangens, vaak van vernietigende aard;

Levenskracht – Prāna, de ‘levensaders’, opgesomd als vijf of zeven of meer in aantal, die door onze constitutie stromen en het fysieke leven instandhouder;

Het astrale of modellichaam – lingaśarîra, het ‘teken of kenmerklichaam’; het model of astrale voorbeeld op basis waarvan het fysieke lichaam is gebouwd;

Het fysieke lichaam – sthûlaśarîra, het ‘grove of logge lichaam’, het fysieke voertuig of instrument dat de volledige zevenvoudige entiteit in staat stelt zich te manifesteren.

Tekstvak:              
Duizend Lichten aansteken. blz. 48-49. © 2001.                                                                         Theosophical University Press. Den Haag.

Menselijk ego
Het menselijke ego zetelt in dat deel van de samengestelde mens dat theosofen de tussenliggende duade, manas-kama, noemen. Het deel dat tot het lagere wordt aangetrokken en sterfelijk is, is het lagere menselijke ego. Het deel dat omhoog streeft, naar buddhi en uiteindelijk één ermee wordt, is het hogere menselijke ego of reïncarnerende ego. Na de dood van de mens en na de tweede dood (zie aldaar) in kāmaloka, blijft de droesem van het menselijke ego in de astrale gebieden achter als het ontbindende kāmarūpa of spook.

Tekstvak: Occulte Woordentolk blz. 125-26. © 2011.                                                                          Theosophical University Press. Den Haag.

Menselijke ziel
In het algemeen gesproken is de menselijke ziel de tussennatuur van de samengestelde mens, en omdat ze onvolmaakt is, wordt ze opnieuw tot incarnatie op aarde aangetrokken, waar ze op dit gebied van het universele leven noodzakelijke lessen leert.

Een andere term voor de menselijke ziel is het ego – een taalgebruik dat eerder populair dan nauwkeurig is, want het menselijke ego is bij wijze van spreken de ziel van de menselijke ziel, en heeft de menselijke ziel als zijn voertuig. Het ego is datgene in ieder van ons wat zegt: ‘Ik ben ik, niet jij!’ Het is het kind van het immanente zelf; en door zijn gevangenschap in de stof als een straal van het overheersende immanente zelf leert het zijn bewustzijn op zichzelf terug te kaatsen en zo kennis te verwerven van zichzelf als een zelfbewust en van anderen bewust wezen: dat wil zeggen, een wezen dat zichzelf en het ‘niet-zelf’, of de andere zelven, kent.

Zoals onze hogere en hoogste natuur door deze menselijke ziel of tussennatuur werken, zo werkt en functioneert laatstgenoemde op haar beurt door lichamen of voertuigen of omhulsels van min of meer etherische stof die haar omringen en omsluiten, die natuurlijk nog lager zijn dan zijzelf, en die haar daardoor de middelen verschaffen om in contact te komen met onze eigen lagere en laagste gebieden van stof; en deze lagere gebieden voorzien ons van onze vitaal-astraal-fysieke delen. Deze menselijke ziel of tussennatuur manifesteert zich daarom zo goed mogelijk door middel van het astraal-fysieke voertuig, en laatstgenoemde is ons lichaam van menselijk vlees.

In de theosofische classificatie wordt de menselijke ziel verdeeld in een hogere menselijke ziel, die bestaat uit de lagere buddhi en het hogere manas – het daarmee overeenkomende zelf is de bhūtātman, die het ‘zelf van dat wat geweest is’ betekent, of het reïncarnerende ego – en de lagere menselijke ziel, het lagere manas en kama, en het zelf dat daarmee overeenkomt is prāņātman of het astrale persoonlijke ego, dat sterfelijk is.

Tekstvak: Occulte Woordentolk blz. 126-27. © 2011.                                                                        
 Theosophical University Press. Den Haag.

Mens
De mens is in essentie een vonk van het centrale, kosmische, spirituele vuur. De mens, die een onlosmakelijk deel is van het heelal waarvan hij het kind is – het organisme van verschillende graden van bewustzijn en substantie die tot de menselijke samenstelling behoren of beter gezegd die hij is – is een kopie van het organisme van verschillende graden van bewustzijn en substantie van het heelal op zijn verschillende bestaansgebieden, innerlijke en uiterlijke, in het bijzonder innerlijke, want die zijn veel belangrijker en meeromvattend omdat ze oorzakelijk zijn.

Mensen zijn één klasse van ‘jonge goden’ die in het huidige stadium van hun eigen evolutiereis in lichamen van vlees zijn geïncarneerd. Het menselijke evolutiestadium ligt ongeveer halverwege tussen het onontwikkelde levensatoom en de volledig ontwikkelde kosmische geest of god.

Vanuit een ander gezichtspunt is de mens een bundel krachten of energieën. Omdat kracht en stof, of geest en substantie, in essentie één zijn, is de mens de facto een bundel stoffen van velerlei graden van ijlheid, of van stoffelijkheid; en dat geldt ook voor alle andere entiteiten en dingen, overal.

De menselijke natuur en ook de natuur van het heelal, waarvan de mens een weerspiegeling of microkosmos of ‘kleine wereld’ is, bestaat uit zeven stadia of graden van ijlheid of stoffelijkheid; of, kosmisch gesproken, uit drie allesomvattende graden: goden, monaden en atomen. En voor de mens kunnen we de verdeling uit het Nieuwe Testament van de christenen volgen, dat dezelfde drievoudige voorstelling van de mens geeft, namelijk dat hij bestaat uit geest, ziel en lichaam, waarbij we echter moeten bedenken dat deze drie woorden algemene termen zijn.

De mens bevindt zich halverwege de evolutionaire levensladder: lager dan hem zijn er menigten wezens die niet zover ontwikkeld zijn als hij; boven hem zijn er andere menigten die hoger staan dan hij, omdat ze meer ervaring, meer wijsheid en meer spirituele en intellectuele kracht hebben. Deze wezens zijn wat ze zijn door evolutionaire ontwikkeling van de inherente eigenschappen en immanente vermogens in de individualiteit van de innerlijke god – de eeuwig levende, innerlijke, geïndividualiseerde geest.

De mens is daarom, evenals alle andere entiteiten of wat men ‘dingen’ noemt, een ‘gebeurtenis’, om de moderne terminologie van filosofen te gebruiken, dat wil zeggen de uitdrukking van een centraal bewustzijnscentrum of een monade die een bepaalde fase doormaakt van haar zeer lange pelgrimstocht in en door de oneindigheid en de eeuwigheid. Dat is de reden dat een theosoof over het monadische bewustzijnscentrum vaak spreekt als een pelgrim van de eeuwigheid.

De mens kan worden gezien als een wezen dat uit drie essentiële upadhi’s of bases bestaat: ten eerste, de monadische of goddelijk-spirituele; ten tweede, dat wat wordt verschaft door de heren van het licht, de zogeheten manasa-dhyani’s, waarmee het verstandelijke en intuïtieve aspect van de mens wordt bedoeld, het element of beginsel dat de mens tot mens maakt; en de derde upadhi die we de vitaal-astraal-fysieke kunnen noemen.

Deze drie bases ontspringen aan drie verschillende evolutielijnen, aan drie verschillende en afzonderlijke hiërarchieën van zijn. Daarom is de mens samengesteld. Hij is niet één enkele en onvermengde entiteit; hij is een samengestelde entiteit, een ‘wezen’ opgebouwd uit verschillende elementen, en daarom zijn zijn beginselen tot op zekere hoogte van elkaar te scheiden. Elk van deze drie bases kan tijdelijk van de twee andere worden gescheiden zonder dat dit de fysieke dood van de mens tot gevolg heeft. Maar de samenstellende elementen van elk van deze bases kunnen niet worden gescheiden zonder de fysieke of innerlijke ontbinding teweeg te brengen.

Deze drie evolutielijnen, deze drie aspecten of eigenschappen van de mens, komen voort uit drie verschillende hiërarchieën of toestanden, vaak aangeduid als drie verschillende bestaansgebieden. De laagste is afkomstig van de vitaal-astraal-fysieke aarde, in laatste instantie van de maan, onze kosmogonische moeder. De middelste, de mānasische of verstandelijk-intuïtieve, van de zon. De monadische, ten slotte, van de monade der monaden, de hoogste top of bloem, of beter gezegd de verheven kiem van de universele hiërarchie, die ons kosmische heelal of onze universele kosmos vormgeeft.

Tekstvak: Occulte Woordentolk blz. 126-27. © 2011.                                                                          T
heosophical University Press. Den Haag.

 

Samengesteld door:

Marian de Keijzer en Jelle Bosma.

april 2018.

 

 

                    

                                   Terug menu.  

* * * * * * *

Universele broederschap is de kern van de Theosofische lering.  I  Dhanus 4243